Rapleaf. Kent u dit bedrijf? Wellicht niet. Rapleaf zijn hardcore nerds, hun sollicitatieprocedure bestaat uit een resem ingewikkelde wiskundige vraagstukken. Echt ingewikkelde vraagstukken, want ze doen dan ook ingewikkelde dingen bij Rapleaf: zonder dat wij er veel erg in hebben, verzamelen ze alles wat ze over ons online gedrag te pakken kunnen krijgen, en combineren dat tot een profiel dat ten gelde gemaakt wordt door het organiseren van zeer gerichte banner campaigns voor adverteerders. Die kunnen met bijna laser-nauwkeurigheid de juiste banner in your face gooien, want Rapleaf weet namelijk alles van jou: jouw naam, jouw geslacht, jouw geloofsovertuiging, jouw favoriete spelletjes op Facebook, jouw sexuele voorkeur(en). Rapleaf's voornaamste klanten? De politieke partijen.
Hoe Rapleaf aan die data komt is op zich niet zo nieuw: ze sluiten deals met partner websites die een tracker cookie van Rapleaf gaan hosten. Big deal, zal u zeggen, maar anders dan vele andere slaagt Rapleaf er in om met die kleine stukjes informatie toch een zeer gedetailleerd profiel van jouw online not-so-alter ego op te bouwen, door ook zelf het internet te crawlen, en erg veel publiek toegankelijke data bij te houden, te combineren, te reduceren, op te waarderen en uit te sorteren, patronen te herkennen en verbanden te leggen. Rapleaf zijn datanerds pur sang, and they're onto something.
Wij zijn er op gekomen omdat we voor ons nieuw product, dat eindeloos-schaalbare content storage en search aanbiedt, voor dezelfde technologie gekozen hebben als Rapleaf, en met hen vele andere internet-grootmachten, zoals Facebook, Amazon, Yahoo! en ... Google. Het op het eerste zicht onschuldige olifantje Hadoop, de verzamelnaam voor een hele reeks open source BigData producten, staat symbool voor datanerd-nirvana, en biedt alle tools en mogelijkheden aan om petabytes (ja, dat zijn 1000 terabytes) aan data op een vlotte en efficiënte manier te verwerken. Een beetje slimme datanerd haalt met Hadoop uit die oceaan aan gegevens net die goudklompjes waar een adverteerder vlot geld voor over heeft.
Die data hoeft trouwens niet per sé cookie trails te zijn, je slaat er in op wat je zelf wil, en Hadoop biedt je een raamwerk, map/reduce genaamd, om ordentelijk door die databrij heen te gaan en er al dan niet zinvolle inzichten uit te distilleren. Wie dit zal doen voor jou? De datanerd, of data scientist, of data engineer, een hele reeks aan nieuwe profielnamen die momenteel opduiken bij internet startups over de hele wereld.
Datanerds fuseren de rekenkracht van gedistribueerde systemen met slimmigheden uit de statistiek, functional programming en toch-niet-zo-artificiële intelligentie, en zorgen er voor dat je op last.fm de juiste aanbevelingen krijgt die horen bij jouw muzieksmaak. Hun technologiekeuze? Ook alweer Hadoop. Netlog? Hadoop. Biotechnologie? Hadoop. Finance? Hadoop. Hadoop is everywhere, en zeker waar geld rondgaat.
Hadoop is een Apache open source project dat gegroeid is uit de inzichten van engineers van The Internet Archive, rond het opslaan en verwerken van -euh- het Internet quoi, en dat nu een vrije implementatie is geworden van een aantal wetenschappelijke papers van Google, die beschrijven hoe het Google File System, en Google BigTable in elkaar zitten. Die vrije implementaties heten intussen respectievelijk HDFS en HBase, en wij zijn alvast maar al te blij dat we zo'n twee jaar geleden redelijk resoluut voor die pijlers gekozen hebben voor onze nieuwe productlijn.
Maar toen wisten we nog niet wat ons nu overkomt: BigData is Big. Je hebt er heel veel data voor nodig, en toch wel slimme mensen. BigData luidt een omschakeling in: waar we vroeger het bijhouden van data, content, documenten, als een kost of zelfs als een last beschouwden, zien we nu data als een opportuniteit. Zelfs data waar we nu nog geen betekenis kunnen aan geven, ruwe logfiles, meetgegevens van fysische experimenten (u weet toch dat CERN voor zijn Large Hadron Collider ook BigData gebruikt?), we houden het allemaal bij, want ooit komt misschien een inzicht waarmee we betere patroonherkenning kunnen programmeren, waarmee we onze verzamelde berg data kunnen omturnen in online recommendations, friend finders, suggesties, targeted ads, en dat allemaal dankzij het gele olifantje.
The future is for datanerds. Gooi niks weg, want wat daarnet nog in de weg stond betekent straks misschien het verschil tussen break-even en Big Money. Het bedrijf Acquia, dat het open source project Drupal regisseert, haalde in zijn derde kapitaalsronde 8.5 mio dollar op. Cloudera, de marktleider in Hadoop, in diezelfde C-round 25 mio. Tel uit je winst.
Dit weekend mochten we het in De Tijd nog eens vernemen: Vlaamse bedrijven zijn slapjanussen op de internationale markt. Zo titelt Dries Bervoet immers boven zijn paginagroot artikel, waarbij de usual suspects nog eens voor de microfoon gehaald worden om de theorie te bewijzen, Peter Hinssen op kop: Vlaamse ondernemers zijn nerds zonder imago. Een aantal pagina's verder is er ook een spread met Rob Heyvaert, waar naast wat knappe foto's toch ook twee kolommen gespendeerd worden aan zijn modelrol voor homo's. Diepgravende journalistiek.
Het moet gezegd worden, als Vlaams IT ondernemer met een internationaal relevant product werkt het stimulerend om dergelijke heren de vinger vermanend te zien opsteken, maar de praktijk van alle dag doet me een andere bedenking maken: bij deze dus.
Allereerst moet het Rob nagegeven worden dat hij - na een cash-in voor Cimad in 1995 - niet badinerend op de lauweren is gaan rusten, maar met CapCo een volgende avontuur startte dat intussen factoren groter geworden is. Dat mag al eens een les zijn voor andere dotcom-alumni: put your money where your mouth is - ook een Valley-idioom.
De successen die toentertijd geboekt geweest zijn in dotcom-land mogen ook in perspectief geplaatst worden: grote bedrijven als IBM en Alcatel, en met hen wellicht anderen, hadden toen werkelijk géén benul van wat ze met het internet aan moesten, en telden dan ook exorbitante sommen neer voor alles wat naar het internet en nieuw en modern rook. De enkelingen die daar van beter geworden zijn - het weze hen gegund - zouden met hun bedrijfjes uit die tijd nu geconfronteerd worden met een meer realistische valuatie. Vanuit hun toenmalige luxepositie observaties poneren over een hedendaagse realiteit die toch wel enigszins minder comfortabel is, het laat een mild-wrange smaak achter bij bevoorrechte getuigen.
Nu, eerder dan de vinger te wijzen naar de ondernemer of kapitaalsverstrekker, wil ik een andere observatie maken: Vlaanderen (of België, wat maakt het uit), heeft geen interne markt voor producten, en al helemaal geen productcultuur. Ik verklaar me nader.
De overheid maakt het ons tegenwoordig gemakkelijk door meer en meer aanbestedingen via het e-procurement platform aan te bieden, en samen met mij vinden wellicht heel wat ondernemers iedere ochtend een mailtje in hun inbox met noden en wensen van de overheid op die dag. De tool laat net genoeg aan gebruiksvriendelijkheid te wensen over om mijn stelling met factuele cijfers te onderbouwen, maar in de periode dat ik op deze dienst geabonneerd ben is het aantal projectaanvragen met productinsteek op één hand te tellen geweest.
De overheid, toch één van de belangrijke IT klanten in ons land, voorziet namelijk in oplossingen rond automatiseringsbehoeftes door het inhuren van profielen. "Profielen", ik spuug stilaan van het woord. Men zoekt namelijk geen oplossing voor het beheren van documenten, of een nieuw facturatiesysteem, nee, "profielen" worden ingehuurd, die dan hopelijk zonder al teveel instructie, door hun fysieke aanwezigheid een aanzet tot oplossing gaan belichamen. Ik wil ze geen eten geven, de legioenen .Net, Java, SAP en Oracle profielen die dag aan dag het warm water heruitvinden bij hun respectieve klanten, niet zozeer om redenen van noodzaak, maar eerder omdat ieder uurtje een factuurtje wordt, en ze dus alle belang hebben bij het rekken van hun aanwezigheid.
Vergelijk dat met een markt waar productcentrisch gewerkt wordt, waar oplossingen gezocht worden, vaak lokaal, bij bedrijven die fixed-price totaalprojecten, producten en toegevoegde waardediensten leveren, en er zou al meer reden tot lokaal productondernemerschap zijn.
Hier in Vlaanderen is de regel schijnbaar ook dat producten het best uit het buitenland komen, terwijl in de buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland bloeiende productbedrijven een geïnteresseerd en loyaal lokaal clientèle vinden om zo een stevige basis op te kunnen bouwen voor internationale expansie. Want ik wil ze evenmin eten geven, de vloed aan Nederlandse bedrijven die nu over onze staatsgrenzen struikelen met specialty-solutions voor (bijvoorbeeld) lokale overheden. De Schengen-grenzen staan duidelijk slechts in één richting open.
Weinigen maken zich de bedenking dat die buurlandse bedrijven ooit ook lokale kansen moeten gekregen hebben, om oplossingen te leveren aan de hand van producten eerder dan profielen.
Misschien dat klanten, media en kapitaalsverstrekkers daar eens moeten op focussen. Mensen maken uiteindelijk inderdaad het verschil, maar het mag wel iets meer zijn. Geef een ondernemer een kans, en hij zal die grijpen. Geef je ons geen kans, kom dan ook niet zeggen dat we niet ondernemend zijn. Dat doen we dan wel in het buitenland.
(Deze tekst verscheen ook op De Tijd blog.)
Soms is het fijn om gewoon alleen met zijn vijven te zijn. En naarmate de kinderen ouder worden, blijken ze dat zelf ook te vinden.
Het is bijna tien uur 's avonds, we zitten ergens midden in een bos in de Langhe, net gedaan met eten, aan lange tafels tussen een dorp Italiaanders. We zijn de enige niet-Italianen in een straal van 30, 40 km, denk ik. Tim heeft zus Saar dansles op de tonen van een live bandje, mazurkas en polkas, en Mie heeft gevorderde gesprekken met onze gezinsoudste jongere. Life really doesn't get any better than this, en we zijn nog maar toegekomen sinds vanmiddag. Italia, ma belle!
Bij mij valt het nog mee, denk ik, ik ken er anderen (*zwaait naar Frank en Kris*) maar het is niet moeilijk om een haat-liefde verhouding te hebben met onze lokale IT pers. In het algemeen ben ik niet snel content (ook van mezelf niet, laat dat duidelijk zijn) en dus probeer ik af en toe al eens te porren om te tonen waar het scheef zit. Vandaag passeerde er weer zo ééntje, van voorzitter William (die verder een fijn mens is, daar niet van), en onlangs had ik hierover wat halve aanvaringen met Andy, die ik niet ken uit het echte leven maar waarvan ik vermoed dat hij een al even fijn mens is. Wat er ook van is: de IT product cultuur zuigt in België, en de verzamelde IT pers mag dit (deels) op hun conto schrijven.
Zij-wiens-gedacht-over-dingen-ik-al-eens-durf-te-volgen was me natuurlijk voor (hoe kon ik haar gedacht volgen anders), en we zijn dan ook net terug van een weekendje Rotterdam dankzij de vrienden (nou ja) van Bongo. Gelogeerd in het Tulip kweetniewa, een redelijk fatsoenlijk maar ook niet waaw hotel, en eigenlijk, denk ik, nooit verder dan 2 km van het hotel vandaan gewandeld, maar toch meer dan genoeg dings te bekijken gehad.
De combinatie bootjes, haven en grootstadsgebouwen is dan ook helemaal killer voor mij - misschien moet Gent zich in zijn toekomstambities maar wat meer spiegelen aan deze grote stad aan de haven. Ik meende daar op een bepaald moment iets scherpzinnigs over te moeten zeggen: dat er in Vlaanderen gebouwen neergepoot worden, maar dat ze in Nederland het landschap durven hertekenen. Geen idee hoe het is om er te leven, 't zal wellicht ook wel na- naast de voordelen hebben, maar qua havenstad mét cosmopolitische ambities vond ik Rotterdam Gent vér voorbij steken.
We zijn gaan eten bij zo'n warme-plaat Japanner (Yamato Teppanyaki restaurant), en dan ook in een leutig Aziatisch fusion-restaurant (Mi Fusion). Vooral dat tweede, hoewel redelijk prijzig, is een aanrader, en de eigenaar had ook tijd voor een eerlijke babbel achteraf. En we zouden reclame maken, beloofden we, bij deze.
En verder was er de obligate (maar fijne) rondvaart met de Spido-boten, een uitvoerig bezoek aan het Fotomuseum, en vooral ook veel rondgewandeld in de talrijke winkelstraten. Thuisgekomen met een nieuwe frak voor mijn madam, nog wat vrouwelijke attributen, wat kleren voor mij én een pan uit de Bijenkorf. De Bijenkorf, dat zouden ze hier in Gent naast de Ikea mogen zetten. Kwestie van eens te kunnen kiezen - aan het begin van de maand weliswaar - want duur!
Beelden zijn interessanter dan woorden, en die vindt u alhier. Tot volgend jaar of zo.
Ik ben dit weekend niet naar Barcamp geweest. Omwille van een aantal redenen, die er eigenlijk in deze post niet toe doen, maar laat ik toch maar formeel stellen dat mijn goesting fel verminderd was toen ons aanbod om t-shirts te sponsoren feestelijk geweigerd werd omwille van een aantal non-redenen. We waren er nochtans als eerste, en zeer graag bij, maar het mocht niet zijn. Ziezo, daarmee is dat uit de weg, en is de kans onbestaande dat deze post nog verder gelezen wordt. Maar wees gerust, ik ben er al allang over, en eigenlijk zijn de voorbije weken zo druk geweest dat niet-gaan me zowiezo beter uitkwam. Een kink in onze bouwagenda-kabel zorgde dan ook voor een dankbaar meta-excuus.
Niet-gaan in deze connected-tijden is evenwel quasi een onmogelijkheid: ik ben -denk ik- via-via of rechtstreeks op zowat alle feeds en twitterdings en weetikwatal geabonneerd van driekwart van de aanwezigen, zodat ik de laatste dagen toch al één en ander virtueel bijgewoond heb.
Geestig, klinkt als "goed in elkaar gestoken", vond ik Bart's presentatie over ondernemen, alsook de post waarmee Michel er op in pikt. Ik heb in maart van vorig jaar eens een avond voor KVIV-IT gaan presenteren, en één derde van mijn presentatie toen was ook over 'open ondernemerschap', en ik merk heel wat parallellen met Bart's tips en Michel's antwoord. Vandaar, wat aanvullingen of opmerkingen.
We zijn met Outerthought nu al zeven jaar bezig, en ik kom al eens in middens waar bedrijfsmensen met nog pakken meer ervaring rondlopen, dus ik dicht mezelf enige levenswijsheid dienaangaande toe.
Ik start met de tips van Bart. Mijn langdraderigheid kennende kom ik wellicht niet eens aan Michel toe. :-)
1. Uw beste vriend: de boekhouder. En de bank.
Juist. Een poos geleden zijn we van boekhouder veranderd. De vorige was een brave vent, daar niet van, maar hij woonde te ver, en zijn accountantspraktijk was een bijberoep. Toen hij er ook nog eens in slaagde om 'per ongeluk' onze balans verkeerd in te dienen, was het snel afgelopen. De huidige is in alle geval een pak kwieker, en intussen zijn we toch ook al een tijdje bezig, en hebben we eigenlijk al sinds jaar en dag een fiscaal saaie en oninteressante onderneming, dus een kind zou moeten de was kunnen doen. Geen zwart geld, zelfs geen kasboek, geen activering van productontwikkeling in onze balans, geen onroerend goed, geen externe financiering: maandelijks uurtjes tellen, factuurtjes sturen, en de pleiade aan terugkomende kosten betalen, met op één met stip: lonen. Nu, ik moet niet veel zeggen, want eigenlijk is het collega-maat-vennoot Marc die zich vooral met de boekhouder bezig houdt.
2. Cashflow. Geld op de bank. Positieve zichtrekening.
Twéé bedenkingen. (1) Een bank stelt véél vlotter kredieten ter beschikking aan een vennootschap dan aan natuurlijke personen. Vanzelfsprekend met de nodige waarborgen, en respect voor onze partners en gezinnen gebiedt ons dan ook om hier voorzichtig mee om te springen. Bankgeld voor lopende zaken echter is traagwerkend vergif, en ik zou niet eerlijk zijn als ik zeg dat we zo'n geld de afgelopen zeven jaar nog nooit nodig gehad hebben. Onder de vorm van kaskrediet, waar op zich niet zoveel mis mee is, maar het is en blijft duur geld dat op termijn je eigenvermogen doet wegsmelten. Banken lijken in barre tijden dan wel misschien wel je beste vriend, maar je houdt ze best niet te lang te vriend. (2) Eigenlijk zijn we gek. En eigenlijk hebben we zeer sympathieke klanten. Que? Betalingstermijnen. Je betaalt iedere maand je personeel. Wij sturen dus ook naar 95% van onze klanten maandelijks een factuur. Toch werken we meestal aan projecten, en zijn die in tijd en budget vooraf begroot geweest: de gedachte zou dus kunnen bestaan dat pas aan het eind van het project betaald wordt. Nee: lonen van werknemers gedurende meer dan 60 dagen voorfinancieren, dat mag zelfs je beste klant niet van jou verwachten. Serieus: bedrijven zijn gek dat ze elkaar zo'n lange betalingstermijnen toestaan. Dat is gratis bank spelen, terwijl kortetermijnkredieten verbazend duur zijn. Niet doen dus, nooit. NOOIT. En doe je onderaannemers een plezier en betaal hen de dag dat je zelf het geld van de klant krijgt (al weet ik niet of we hier nooit zelf tegen gezondigd hebben).
3. 'Mensch'
Ik snap de pointe in Bart zijn slides niet. Integrity en honor koppelen aan rolodex en netwerk - vreemde combinatie.
Netwerken is natuurlijk belangrijk, maar ook heel erg verleidelijk als tijdverdrijverij. Een geslaagd netwerkevent kan ideaal zijn om op wolkjes naar huis te wandelen, maar trop is teveel, en verloren tijd is vaak moeilijk te recupereren. En ik zit intussen al in genoeg clubjes om te merken dat er een club van professionele netwerkers bestaat, die geweldig gezelschap zijn tijdens recepties, maar organisatie-gewijs net iets te licht wegen. Kwestie van handtekenbevoegdheid en zo.
Integriteit, zeker. Eerlijk wezen, ook als je mening niet de populairste is. Focus houden in je mening, niet teveel meewaaien met de wind, zodat de mensen weten wat ze aan jou hebben. Simpele dingen, maar ze worden héél vaak vergeten in verkoopsgesprekken.
4. Communicatie
Ik denk niet dat er meer verschil kan bestaan dan tussen Bart's communicatiestijl en die van mij - toch minstens wat betreft volume. Maar toch: duidelijk en tijdig communiceren is inderdaad een aandachtspunt. Nog belangrijker, duizend keer meer zelfs, is de vaak vergeten kant van communicatie: luisteren. Er wordt vaak veel te snel gedacht dat men begrijpt wat de ander zegt, teveel veronderstellingen, teveel wild guesses. Tijdens meetings merk ik steevast twee fenomenen: er wordt naast elkaar gepraat - in een poging om vooral het eigen ei kwijt te kunnen, en er wordt vaak herhaald of nagepraat. Tijdverspilling!
5. Partnerships
Hm. Een moeilijke. Ik zou me er van af kunnen maken met een "we zijn een stel West-Vlamingen", maar dat zou iets te gemakkelijk zijn. Hoewel, een zeker Not Invented Here syndroom is dit huis niet onbekend. Niet dat wat we zelf doen steevast beter is, maar we kunnen het toch beter ondersteunen, en als het niet werkt, enkel onszelf verwijten.
Ik zou ook, naar waarheid overigens, kunnen zeggen dat we in de voorbije zeven jaar al regelmatig werk uitgedeeld hebben aan bijvoorbeeld ex-collega's, maar nog nooit werk teruggekregen hebben, en dat is dan weer pijnlijk en not done. Bij partnerships blijken wij steevast de hoofdaannemer te zijn, voor onderaanneming worden we blijkbaar niet geschikt geacht.
De laatste keer werd er achteraf zelfs wat smalend over het project gepraat, en dat doet gewoon zeer. Geld aanvaarden zonder inhoudelijk engagement, daar hebben we onszelf nog nooit moeten op betrappen, en ik verwacht niet minder van een partner: exit one.
We zijn dus niet zo goed in partnerships, en ik ervaar dat inderdaad als een pijnpunt. Tips en kandidaat-partners zijn welkom.
6. De sparring partner
Als ik over Outerthought praat, dan is dat vaak, zoniet meestal in de wij-vorm. Niet wij als in 'wij, het hele bedrijf', want ik eigen mezelf de pretentie niet toe om te denken dat iedereen hier hetzelfde denkt of doet of voelt, laat staan dat ik dat zelfs zou willen, maar wij als in: ik niet alleen. Outerthought, de naam, zal altijd mijn kindje blijven (ook al kan niemand die naam juist uitspreken of schrijven, ha), maar Outerthought, het bedrijf, dat is Marc en mezelf. Hoogtes en soms ook laagtes, aanvullend en soms ook clashend, maar in alle geval samen bezig met hetzelfde ding, elk op onze eigen manier. Marc de cijferaar en geduldige bouwer, ik het vleesgeworden buikgevoel en de dromer.
Maar evengoed ons mini-netwerkje van virtuele externe bestuurders, zij die samen met ons door onze cijfers ploegen, of eens een telefoon krijgen bij een tegenslag, of die ons aanporren om toch maar eens wat structuur in ons zaken te brengen.
Dat is trouwens een tip die ontbreekt in Bart's presentatie, vind ik: structuur en formalismen. Kleine tooltjes maar vooral gedrag om lastige zaken (offertes? planning? facturatie?) beter te faciliteren. Er is nog ruimte tot verbetering wat dat betreft bij Outerthought.
7. Focus, of niche
Twee zaken: (1) focus is king. Kleine bedrijven zijn opportunisten. Opportunisme, daar is niks verkeerd mee als het je maar niet te ver van je kerncompetenties wegbrengt. Want vallen en opstaan, dat kost energie die je beter had kunnen besteden.
En (2): als je maar lang genoeg zegt dat iets zal gebeuren, dan gebeurt het ook. Focus creëer je zelf, als je maar geduld genoeg hebt. We draaien intussen minstens 60% van onze omzet bovenop ons productportfolio, wat tot gevolg heeft dat we die portfolio steeds beter kunnen maken terwijl we steeds efficiënter bezig zijn. En dat voor een bedrijf dat nooit opgericht geweest is om aan product development te doen (qua financiering dan). Je komt een opportuniteit tegen, voelt je er goed bij, maakt er je focus van. Repeat.
8. Goals, meetbaarheid, dashboard
Ik heb één ding geleerd bij Plato (een lerend netwerk van VOKA), en dat is het belang van dashboards. Meetinstrumenten voor de effectiviteit van de onderneming. Een alerte boekhouder en wat Excel-goochelarij, en je raakt al een heel stuk verder. Vergroot je planningshorizon. Maak ook in een project-gedreven business een meerjarenplan op - al is het maar om te weten wat je wil doen, wat je zal doen, en wat je liever niet doet. Wederom focus dus, maar ook kunnen meten wanneer je slaagt of faalt. Het verschil tussen ondernemers en freelancers.
9. Mensen
Als er één ding is waar de internet- en ICT-sector mee rommelt, dan is het wel met human resources. Ik was als een katje-zo-content toen ik de Balanscentrale ontdekte, maar vooral toen ik merkte dat achteraan de financiële balans ook een sociale balans zit, met personeelsaantallen en -kosten. Toegegeven, een redelijk grofmazig instrument, maar wel één dat heel wat uitspraken van concullega's in een ander daglicht stelt. Headcount == payroll: anders spreek je over lege dozen. En met pinda's vang je alleen maar apen.
Dat is een beetje stout natuurlijk. Je kan inderdaad kosten drukken door enthousiaste jonkies te vinden die voor geen geld aan de slag willen, en dan merken dat die na een paar jaar wijzer worden en het bedrijf verlaten. Media-bedrijven zijn daar goed in. Of je kan je bedrijf iets saaier profileren en proberen mensen te laten inzien dat ze zichzelf binnen en samen met het bedrijf kunnen ontwikkelen, en daar de verloning ook aan trachten aan te passen. Niet simpel, maar moeilijk gaat ook.
Mensen zijn in onze business inderdaad hét ding. Haal de mensen uit Outerthought, en er schiet niks meer over. Ik betrap er mezelf soms op dat ik hierin té empathisch ben, al ken ik mezelf als brombeer genoeg om te weten dat dat niet altijd opvalt.
10. Passie
Goh. Dat is iets als innovatie, zeker? Een hopeloos overladen woord. Goesting, inleving, empathie, daadkracht, werkmansfierheid, vakmanschap, een stiel kennen zijn minstens even belangrijk. Passie, dat breng ik niet onmiddellijk in verband met mijn ondernemerschap. Goesting, eergevoel, dat wel, maar passie, dat is voor dingen als fotografie en schone liedjes, en mijn lief en kinders natuurlijk.
11. Het thuisfront
De liefde van mijn leven heeft een directiefunctie in een organisatie die -euh- momenteel 40 keer groter is dan Outerthought. We werken alletwee hard en vinden alletwee onze job belangrijk als individuele ontwikkeling. Ook voor mij is het mijn job, niet mijn leven. Ik breng iedere dag, ja, elke dag de kinderen 's morgens naar school: u zal me nauwelijks op meetings aantreffen die dat door uur of afstand onmogelijk maken. En ik werk normale weken, geen 50 uur of zo. Mijn kinderen zien me bijna elke avond, gewoon aan tafel om samen te eten.
Ik hoor dat graag, over stille vrouwen of mannen die achter hun ondernemende partner staan, maar op de lange termijn pleit ik voor meer equivalentie. En het is ongelofelijk verrijkend om het bed te delen met iemand die in heel andere dingen even hard tracht haar best te doen als mezelf.
Goh, lees die laatste zin eens alleen, zonder context: het is ongelofelijk verrijkend om het bed te delen met iemand die in heel andere dingen even hard tracht haar best te doen als mezelf. Tiehie, grappig, niet? Misschien is dat wel de laatste tip:
12. Neem jezelf niet te serieus
Als je al eens met jezelf durft lachen, ben je de anderen voor.
Een groot gemak, zo'n eigen zeepkist. Ik moet mij niet begeven naar het voorgeborchte van de hel, 't is te zeggen de commentaarsecties op al die kranten- en andere sites, ik kan hier gewoon mijn ding doen, ongehinderd door partijslaaf, beroepscommentator of discussietechniekenspecialist. Nee, die verban ik op mijn eigen medium naar datzelfde voorgeborchte, dat nog geeneens link-karma verschaft naar deze of gene website waar dergelijke lieden zich plegen op te houden.
Het land, wiens volkslied we vanmorgen familiaal in groep bleken vergeten te zijn, is in een diepe crisis verzonken. Wie weet of straks België nog bestaat, en of de mensen van Halle plots allemaal Duits gaan moeten leren, en wie gaat er straks op handelsmissie voor Braine-l'Alleud? Het verhaal van een falend bestuur beheerst het nieuws van de dag, maar toch kan het mij maar matig boeien.
Dit weekend mocht ik immers naar een interessant verhaal luisteren van Filip De Rynck, docent bestuurskunde aan Hogent, over buurtwerking en politiek, meer bepaald over de originele definitie van politiek: hoe mensen zich organiseren in een samenleving. Ik voelde me enorm aangesproken door zijn verhaal, dat evenwel droop van het cynisme ten aanzien van het hedendaagse politieke toneel.
In mijn (ahum) 'vrije' tijd ben ik het soort onnozelaar die zich onledig houdt met allerlei georganiseerde en minder structurele vormen van vrijwilligerswerk, en ik merk bij mezelf dat zoiets een voor mij noodzakelijk gegeven is om mentaal gezond door het leven te gaan. Het was in dat kader - de buurtwerking - dat ik naar mr. De Rynck's verhaal mocht gaan luisteren, en het is ook in dat kader dat ik me als burger een visie vorm over politiek en bestuur. En datzelfde kader helpt me in mijn overtuiging dat - wat zich nu aan de politieke toppen van deze regio afspeelt - geenszins representatief is voor onze samenleving.
Integendeel, hoe meer ik leer over de dunne grens tussen burgervereniging en beroepspolitiek, hoe meer ik blijf hangen bij de gedachte dat we een tijdperk ingaan van maatschappelijke decompositie, waarbij de grote ideologische bewegingen hun beste tijd gehad hebben en vervangen worden door pragmatische lokale actie.
De politiek van partijen, de godsdienst van ideologieën, het links/rechts- en Vlaams/Waals-denken is een vervanmijnbed-show geworden voor de burger, en de anti-politiek verschuift alsmaar meer naar een soort maatschappelijke onverschilligheid waarbij mensen terugvallen op het goed (laten) functioneren van gezin, buurt en kleine(re) sociale context als ijkpunt voor een gezond maatschappelijk bestel.
Het zijn dan ook de vele jaren van politieke verzuiling, het staat-als-apparaat-denken die ervoor gezorgd hebben dat de kloof tussen burger en politiek, maar ook tussen burger en bestuur zo diep geworden is dat een zekere bestuursmoeheid ingetreden is.
Het ontzag voor het bestuursapparaat, 'de burgermeester', 'het Vlaams/Waals parlement' of 'Brussel' is totaal verdwenen en vervangen door ergernis of plaatsvervangende schaamte. De verschillen tussen partij-ideologiën zijn weggenivelleerd uit angst om stemmen te verliezen aan eender welke kant, en partijprogramma's blinken uit in plannen die door elke Janmetdepet weggeredeneerd kunnen worden wegens onbetaalbaar, onrealiseerbaar, onnodig of gewoon asociaal.
Algemeen gesteld ligt de Belgische situatie inderdaad niet voor de hand, maar in de optiek dat taal een louter cultureel gegeven is, en multi-culturaliteit een inherent onderdeel van een voortschrijdende en onmogelijk tegen te houden globalisering, zou men kunnen verwachten dat verschillende bevolkingsgroepen wel degelijk verondersteld mogen worden om éénzelfde grondgebied met elkaar te kunnen delen.
Maar dat is het globale niveau: op het lokale niveau, dat van buurt en wijk, wordt het nog sneller en pijnlijker duidelijker dat buren en wijken er stilaan beter in slagen om gemeenschap te organiseren dan het stedelijk of zelfs gemeentelijk niveau. Of, om een ietwat gemakkelijke vergelijking van De Rynck te gebruiken: wat als een TV-ploeg met een onnozel goedgevoelprogramma er in slaagt om méér te verwezenlijken op één week dan een bestuur op één jaar tijd? Zou men sommige bewonersgroepen dan niet beter dienen door hen gewoon een jaarlijks wijkbudget te geven, in plaats van aalmoezen en bureaucratisch georganiseerde faciliterende stadsdiensten? De partij waarmee ik mij het ideologisch het meest verwant voel zal het niet graag horen, maar soms zorgen burgers maar beter voor zichzelf.
Het is in alle geval niet met deze overheid en dergelijke vorm van besturen dat wij erop vooruit aan het gaan zijn. Aan de andere kant, het falen is nu tenminste luid en duidelijk, waar het gedurende de voorbije regeerperiodes verhuld werd in een zorgvuldig georchestreerde PR-campagne. Kiezen tussen pest en cholera.
Cynisch genoeg merkt men intussen dat vele burgers voor hun inkomen navelstreng-gewijs verbonden zijn met het bestuursapparaat, als ambtenaar, kabinetard of beroepspolitieker. Dat staat en gemeente voor onderwijs en wegenwerken zorgen, voor politie en belastingen, dat is de logica zelve, maar het volk vertegenwoordigen, misschien doet men dat beter door er middenin te staan.
Er zijn (m.i., en ik baseer me eerlijkheidshalve op een gevoel eerder dan cijfers) een onredelijk hoog aantal beginnende of gevestigde politiekers die beroepshalve verbonden zijn met onderdelen van het partij- of staatsapparaat: men werkt op een overheidsadministratie, in de kaders van een vakbondsbeweging, men verkeert met andere woorden voortdurend in een omgeving waar men 'de burger' als een soort (klote?)klant aanziet eerder dan een gelijke. Nu wordt er algemeen aangenomen dat mensen met enige ervaring in bestuursaangelegenheden beter geschikt zijn voor het opnemen van een verantwoordelijk politiek mandaat dan pakweg een textielbaron of restaurantuitbater, maar met wat er nu aan de gang is, durf ik hier vrijelijk aan te twijfelen.
Wanneer de kring der gelijk- of zelfs tegengezinden zo groot geworden is dat ieder feitelijk contact met de samenleving zich beperkt tot sloganesque caféklap, wanneer beleid gemaakt wordt tijdens gependel tussen Brussel en de provinciën, dan is het niet te verwonderen dat die provinciën, die steden, die gemeenten, en uiteindelijk wijken, buurten en straten gaan zeggen: nee dank je, voor ons hoeft het eigenlijk niet meer.
Die kaste van beroepspolitici, die de wereld confuus inkijken door confituurglazen bokalen van media-waandacht, ze is al even overbodig geworden als kerk en koningshuis. Moeten we dan echt alles zelf gaan doen?