Schoolkeuzes
Een heerlijk onderwerp eigenlijk, want net als de media heeft iedereen er een mening over wegens zelf een TV in huis (of zelf op school gezeten dus). Ik zou nu kunnen opteren voor een wetenschappelijke benadering: kwantitatieve indicatoren en zo, maar that's just not me. Gewoon wat losse bedenkingen.
Ik denk dat de sleutelzin uit mijn vorige post "we hebben geluk" was. Er is voorlopig geen enkele indicatie nl. dat onze kinderen geen ASO zouden aankunnen - ze zitten goed vooraan in de klas zonder zich dood te moeten werken. 't Zijn geen supertoppers (qua resultaten dan), in de sfeer dat het alléén maar negens en tienen zijn, maar een zeven is toch een uitzonderlijke ondergrens. De inspanningen zijn navenant: het merendeel van hun schoolwerk past in nog geen uurtje per avond, en dat dan nog verdeeld over de studie op dinsdag, donderdag en vrijdag, en nog efkes thuis - soms.
Mijn "we hebben geluk" is ook beter onderbouwd dan de gebruikelijke intellectualistische wetenschap dat er "iets" bestaat buiten de humaniora: mijn lief werkt al meer dan 10 jaar middenin de mensen die - toch zeker wat schoolse resultaten betreft - minder geluk hebben gehad, en 't is een rattenval: het is oneindig moeilijk om je kinderen méér kansen te geven dan je zelf ooit gehad hebt.
Wat dat betreft is het weer Darwinisme ten top: we hebben zelf drie ouders die verder gestudeerd hebben, we hebben dan ook zelf gestudeerd en trachten een carrière uit te bouwen, en dus is de kans groot dat onze kinderen dat ook gaan doen. De weg naar beneden is gemakkelijker dan bergop: vorige week nog stond ik op een beurs en werd ik aangesproken door een arbeidsbemiddelaar voor hoger-opgeleide allochtonen - het blijkt voor die groep niet simpel te zijn om aan een goede job te raken. Beats me, maar ik kan me er iets bij voorstellen.
Ik dwaal af echter, straks blijven we hangen bij gratuite maatschappijkritiek, en toogpraat is wree gemakkelijk.
Drie scholen bezocht dus dit weekend - waar hebben we dan op gelet?
Een eerste criterium voor mij is het aantal effectief ingerichte studierichtingen. Ik ben een kind van het VSO onderwijs, en ben op die manier ook geconfronteerd geweest met keuzepakketten en modulaire richtingen - en vooral de weerbarstigheid waarmee de toenmalige scholen daar (terecht misschien) mee omgingen. Door die toestanden heb ik uiteindelijk maar vier uur wiskunde gevolgd in het middelbaar, de zes uur zat vol en acht was teveel (voor mij) - maar vier was duidelijk te weinig (voor mij) om door het eerste jaar ind. ingenieur te raken. Een school moet dus de ruimte bieden om dit soort diversificatie te faciliteren - dat het niet alleen maar vier of acht moet zijn, dat soort ruimte in het aanbod dus - evengoed voor talen en andere wetenschappen.
Een ander criterium is natuurlijk bereikbaarheid. Hier heb ik een zeer ambigue gevoel rond - zelf opgevoed "onder de kerktoren" op wandelafstand van een (gelukkig zéér goede) middelbare school. Het middelbaar moet, vind ik, een (eerste) stap naar zelfstandigheid zijn - en dan is een beetje afstand geen slechte zaak. Dat is gelijk een reden waarom ik de evidente keuze van de meest nabije secundaire school niet onmiddellijk genegen ben. Ook het leren omgaan met vrijheid, als je in vijfdes en zesdes over de middag naar buiten kunt, hoewel ik als boswachter het stropen zéér goed gekend heb, is weer iets dat voor de gekke combinatie bereikbaarheid-op-afstand pleit. Ik zie mijn kinderen dan ook graag naar een stadsschool gaan: ik weet hoe het mij verlopen is om als boerke-uit-de-provincie plots in het woelige Gent terecht te komen - geen seconde spijt achteraf, maar ik wens het mezelf als ouder niet toe. ;-)
Een ideale humanioraschool moet voor mij ook écht gemengd zijn: netjes half om half. Ze kunnen maar beter snel leren om op een gewone manier met het andere geslacht om te gaan. Voor de jeugdbeweging hebben we vier jaar geleden die keuze ook gemaakt - en hoewel we natuurlijk weten dat dé vriendjes tussen zes en twaalf jaar vooral seksegenoten zijn, er is onvermijdelijk een aspect gewenning. We hebben geluk (weeral!) om van soorten te hebben, maar broeder- en zusterliefde (en respect en begrip en nog van die dingen) zijn niet vergelijkbaar met hoe je leert omgaan met elkaar in school of jeugdbeweging.
Een vierde factor is "buikgevoel": welk gevoel krijg je als je de school binnenwandelt? We hebben er drie meegemaakt dit weekend: ontzag voor zoveel professionalisme, onprettig-gestoorde chaos, en iets ondefinieerbaars als "mmm, dat lijkt hier op mijn oude school". Het zal wel al duidelijk zijn welke er dus zowiezo tussenuit gevallen is, en gek genoeg bij Mie en mezelf, zonder vooraf iets te zeggen, om dezelfde reden: hetzelfde aanvoelen.
En nog eentje is "doorleefdheid": hoe spreken de leerkrachten jou aan tijdens zo'n opendeurdag. Enthousiasme, goesting: ik weet hoe ik mijn best doe als ik de diensten van "mijn" bedrijf tracht aan te prijzen - wel, ik hoop dat - en zeker van mensen in zo'n engagementsberoep als het onderwijs - alle leerkrachten tijdens zo'n opendeurdag zich bewust zijn van het gewicht van hun verbale en non-verbale communicatie. Die mevrouw van Nederlands in één school, de klastitularis die ons een rondleiding gaf in de andere school - de manier waarop ze met hun eigen leerlingen die ook aanwezig zijn, die andere school waar men er zich van afmaakte met een "als er iets is dat u wil weten, vraag het dan maar": superdoorslaggevend.
Vervolgens omkadering, wat veel met omvang te maken heeft. Een grote school heeft meer middelen om omkaderend personeel in te schakelen, kan extra-curriculaire activiteiten vaak structureler aanpakken. Size matters. Ik merk dat dagelijks in mijn eigen professionele context: de kleintjes kunnen geestig en opportunistisch bezig zijn, soms vernieuwend en creatief, maar om een beleid op poten te zetten moet je kunnen denken op het soort termijn waar de kleintjes soms alleen maar van kunnen dromen. Dat is jammer, want ik geloof ergens wel in een maatschappij van kleintjes, maar toch is er ook het besef dat volhouden op de uitgestippelde lijn soms gewoon een kwestie van omvang, van interne draagkracht is.
Een laatste criteria, en wellicht het meest gevoelige en moeilijkst te
duiden, heeft iets te maken met de kinderen zelf, en hoe de school met hen
omgaat. Bij één school delen we de mening van velen dat de kinderen er een
beetje aan hun lot overgelaten worden. Da's schitterend voor "de goeie" - zij
die weinig nood hebben aan een kader om in te groeien. We hebben ze zien
rondlopen, die goeie - mooie jonge mensen met lichtjes in hun ogen, strak van
lijf en zich duidelijk goed in hun vel voelend. Je schat ze minstens drie jaar
ouder in - vaardig in woord en wederwoord, aangenaam in de omgang en al.
Schitterend vind ik ze, maar sta me toe om ook de keerzijde van de medaille te
kennen (een mens met ogen in zijn hoofd ziet op negen jaar dagelijks kinderen
afzetten op school al eens wat). Het groezelige, het rondhangen, het vroegtijdig
gepimpt rondlopen. 't Is subtiel, en glad ijs natuurlijk, maar ik denk dat
persoonlijkheden die misschien zowiezo op hun beentjes terecht komen (en ik
reken mezelf daar bij) met zo'n "vrij kader" beter gediend zijn (of eerder: daar
door kunnen groeien), dan de minder sterke persoonlijkheden. En het is nog véél
te vroeg om nu te gokken hoe onze kinderen gaan opgroeien, dus ik neem het
onszelf niet kwalijk dat we daar nu al keuzes (voor hen) in maken door op veilig
te spelen. Dat iedereen die dat anders wil, dat maar vooral eerst op zijn eigen
kroost uitprobeert, durf ik dan ook te denken.
't Is allemaal perceptie, natuurlijk, maar eigenlijk toch wel veel dingen om rekening mee te houden. Ik neem het mezelf dan ook niet kwalijk dat we er op tijd aan begonnen zijn.
Reacties