Splitsen! Nu!
Een groot gemak, zo'n eigen zeepkist. Ik moet mij niet begeven naar het voorgeborchte van de hel, 't is te zeggen de commentaarsecties op al die kranten- en andere sites, ik kan hier gewoon mijn ding doen, ongehinderd door partijslaaf, beroepscommentator of discussietechniekenspecialist. Nee, die verban ik op mijn eigen medium naar datzelfde voorgeborchte, dat nog geeneens link-karma verschaft naar deze of gene website waar dergelijke lieden zich plegen op te houden.
Het land, wiens volkslied we vanmorgen familiaal in groep bleken vergeten te zijn, is in een diepe crisis verzonken. Wie weet of straks België nog bestaat, en of de mensen van Halle plots allemaal Duits gaan moeten leren, en wie gaat er straks op handelsmissie voor Braine-l'Alleud? Het verhaal van een falend bestuur beheerst het nieuws van de dag, maar toch kan het mij maar matig boeien.
Dit weekend mocht ik immers naar een interessant verhaal luisteren van Filip De Rynck, docent bestuurskunde aan Hogent, over buurtwerking en politiek, meer bepaald over de originele definitie van politiek: hoe mensen zich organiseren in een samenleving. Ik voelde me enorm aangesproken door zijn verhaal, dat evenwel droop van het cynisme ten aanzien van het hedendaagse politieke toneel.
In mijn (ahum) 'vrije' tijd ben ik het soort onnozelaar die zich onledig houdt met allerlei georganiseerde en minder structurele vormen van vrijwilligerswerk, en ik merk bij mezelf dat zoiets een voor mij noodzakelijk gegeven is om mentaal gezond door het leven te gaan. Het was in dat kader - de buurtwerking - dat ik naar mr. De Rynck's verhaal mocht gaan luisteren, en het is ook in dat kader dat ik me als burger een visie vorm over politiek en bestuur. En datzelfde kader helpt me in mijn overtuiging dat - wat zich nu aan de politieke toppen van deze regio afspeelt - geenszins representatief is voor onze samenleving.
Integendeel, hoe meer ik leer over de dunne grens tussen burgervereniging en beroepspolitiek, hoe meer ik blijf hangen bij de gedachte dat we een tijdperk ingaan van maatschappelijke decompositie, waarbij de grote ideologische bewegingen hun beste tijd gehad hebben en vervangen worden door pragmatische lokale actie.
De politiek van partijen, de godsdienst van ideologieën, het links/rechts- en Vlaams/Waals-denken is een vervanmijnbed-show geworden voor de burger, en de anti-politiek verschuift alsmaar meer naar een soort maatschappelijke onverschilligheid waarbij mensen terugvallen op het goed (laten) functioneren van gezin, buurt en kleine(re) sociale context als ijkpunt voor een gezond maatschappelijk bestel.
Het zijn dan ook de vele jaren van politieke verzuiling, het staat-als-apparaat-denken die ervoor gezorgd hebben dat de kloof tussen burger en politiek, maar ook tussen burger en bestuur zo diep geworden is dat een zekere bestuursmoeheid ingetreden is.
Het ontzag voor het bestuursapparaat, 'de burgermeester', 'het Vlaams/Waals parlement' of 'Brussel' is totaal verdwenen en vervangen door ergernis of plaatsvervangende schaamte. De verschillen tussen partij-ideologiën zijn weggenivelleerd uit angst om stemmen te verliezen aan eender welke kant, en partijprogramma's blinken uit in plannen die door elke Janmetdepet weggeredeneerd kunnen worden wegens onbetaalbaar, onrealiseerbaar, onnodig of gewoon asociaal.
Algemeen gesteld ligt de Belgische situatie inderdaad niet voor de hand, maar in de optiek dat taal een louter cultureel gegeven is, en multi-culturaliteit een inherent onderdeel van een voortschrijdende en onmogelijk tegen te houden globalisering, zou men kunnen verwachten dat verschillende bevolkingsgroepen wel degelijk verondersteld mogen worden om éénzelfde grondgebied met elkaar te kunnen delen.
Maar dat is het globale niveau: op het lokale niveau, dat van buurt en wijk, wordt het nog sneller en pijnlijker duidelijker dat buren en wijken er stilaan beter in slagen om gemeenschap te organiseren dan het stedelijk of zelfs gemeentelijk niveau. Of, om een ietwat gemakkelijke vergelijking van De Rynck te gebruiken: wat als een TV-ploeg met een onnozel goedgevoelprogramma er in slaagt om méér te verwezenlijken op één week dan een bestuur op één jaar tijd? Zou men sommige bewonersgroepen dan niet beter dienen door hen gewoon een jaarlijks wijkbudget te geven, in plaats van aalmoezen en bureaucratisch georganiseerde faciliterende stadsdiensten? De partij waarmee ik mij het ideologisch het meest verwant voel zal het niet graag horen, maar soms zorgen burgers maar beter voor zichzelf.
Het is in alle geval niet met deze overheid en dergelijke vorm van besturen dat wij erop vooruit aan het gaan zijn. Aan de andere kant, het falen is nu tenminste luid en duidelijk, waar het gedurende de voorbije regeerperiodes verhuld werd in een zorgvuldig georchestreerde PR-campagne. Kiezen tussen pest en cholera.
Cynisch genoeg merkt men intussen dat vele burgers voor hun inkomen navelstreng-gewijs verbonden zijn met het bestuursapparaat, als ambtenaar, kabinetard of beroepspolitieker. Dat staat en gemeente voor onderwijs en wegenwerken zorgen, voor politie en belastingen, dat is de logica zelve, maar het volk vertegenwoordigen, misschien doet men dat beter door er middenin te staan.
Er zijn (m.i., en ik baseer me eerlijkheidshalve op een gevoel eerder dan cijfers) een onredelijk hoog aantal beginnende of gevestigde politiekers die beroepshalve verbonden zijn met onderdelen van het partij- of staatsapparaat: men werkt op een overheidsadministratie, in de kaders van een vakbondsbeweging, men verkeert met andere woorden voortdurend in een omgeving waar men 'de burger' als een soort (klote?)klant aanziet eerder dan een gelijke. Nu wordt er algemeen aangenomen dat mensen met enige ervaring in bestuursaangelegenheden beter geschikt zijn voor het opnemen van een verantwoordelijk politiek mandaat dan pakweg een textielbaron of restaurantuitbater, maar met wat er nu aan de gang is, durf ik hier vrijelijk aan te twijfelen.
Wanneer de kring der gelijk- of zelfs tegengezinden zo groot geworden is dat ieder feitelijk contact met de samenleving zich beperkt tot sloganesque caféklap, wanneer beleid gemaakt wordt tijdens gependel tussen Brussel en de provinciën, dan is het niet te verwonderen dat die provinciën, die steden, die gemeenten, en uiteindelijk wijken, buurten en straten gaan zeggen: nee dank je, voor ons hoeft het eigenlijk niet meer.
Die kaste van beroepspolitici, die de wereld confuus inkijken door confituurglazen bokalen van media-waandacht, ze is al even overbodig geworden als kerk en koningshuis. Moeten we dan echt alles zelf gaan doen?